· 

Rouw én humor? Laat me niet lachen

Een koffietafel na een begrafenis. Eerst is de sfeer bedrukt, wat stilletjes. Na een tijdje hoor je meer en meer geroezemoes.

Mensen zoeken elkaar op.  (Raar maar waar; koffietafels zijn tegenwoordig één van de zeldzaamste plaatsen waar mensen nog – zonder afleiding- met elkaar praten)

Herinneringen worden opgehaald.  En dan klinkt er een lach.

Verschrikt kijkt men op. Wie durft er te lachen?  Dat was ik dus.

Iemand had  een ontzettend grappig voorval van mijn (overleden) man verteld dat ik nog niet kende. En dus borrelde die lach op. Niet te stuiten. Mijn hart maakte een sprongetje; want zo was hij écht. Dit typeerde hem helemaal. En ik werd helemaal warm van eraan te denken.

Humor in rouw kan.

Binnen ons eigen gezin lachen we vaak. Ook na de dood.  En eigenlijk is het een beetje een eerbetoon aan mijn man. Humor was immers belangrijk voor hem. (Hij was moppentapper bij uitstek.)

Toen hij doodziek was, kon een conference van Toon Hermans hem de pijn even doen vergeten. Als zalf op de wonde.

Waarom zou dit trouwens verkeerd zijn?

Humor is een onderdeel van veerkracht.

Niet om te ontkennen maar om een beetje tegenwicht te bieden aan de pijn en het verdriet.  Humor beweegt zich altijd op het snijvlak van realiteit en fantasie.

De weerstand komt misschien omdat we nog steeds moeilijk praten over de dood. En dan denken we dat lachen helemaal niet kan.

 

Maar wees gerust; het past perfect in de recentste visie op rouw. We bewegen ons altijd tussen herstel en verlies.

Een lach en een traan staan dicht bij elkaar…

Reactie schrijven

Commentaren: 0